De waarheid over kleur

Welke kleur heeft maandag? Lichtgeel natuurlijk. Welke kleur heeft het cijfer 4? Warmgeel. 8 is donkerbruin, en 5 hemelsblauw. Dat wil zeggen, míjn maandag  is lichtgeel, míjn 4 warmgeel, etc. Zoals letters een klank hebben en cijfers een waarde, hebben ze voor mij ook een kleur.

Ik ging er altijd van uit dat iedereen in meer of mindere mate ditzelfde heeft met de kleuren, de cijfers/letters en de dagen van de week. Dat is niet zo, 19 van de 20 mensen hebben geen enkele vorm van deze overijverige associatiedrift die synesthesie heet.

Synesthesie betekent het samenkomen van verschillende zintuigen. Deze term klopt in het geval van kleuren zien bij muziek, of het ruiken van geluid. Maar de meest voorkomende synesthesie is de combinatie van ideeën (cijfers en woorden etc.) en kleuren. Hierbinnen zijn ook weer verschillende varianten: sommige mensen zien letterlijk kleuren als ze lezen, bij anderen is het meer associatief.

Een mooi voorbeeld van het synthetisch verbinden van objectief gezien niet verbonden ideeën is te zien in dit interview met de savant Daniel Tammet: link. Het eerste gedeelte is vrij irritant omdat de interviewer (Letterman) domme vragen stelt en Tammet als een circusaapje behandelt. Kijken vanaf minuut vijf.

Waar komt synesthesie vandaan? De wetenschap heeft er twee theorieën over. De ene is dat ieder mens bij de geboorte een enorme hoeveelheid verbindingen in de hersenen heeft, en dat er in het proces van opgroeien en leren wordt gesnoeid in die verbindingen, zodat alleen de nuttige overblijven. Bij synestheten zouden “nutteloze” verbindingen zijn behouden tussen hersengebieden die met verschillende zintuigen te maken hebben. De andere theorie is dat synesthesie ontstaat in de eerste jaren dat een kind naar school gaat en leert te denken in ideëen (kleuren, cijfers, letters, dagen van de week, uren en minuten), en dat er bij een gedeelte van de mensen tussen die verschillende concepten ook verbindingen ontstaan die niet logisch zijn.

Het idee dat er echt een verband is tussen kleuren, muzieknoten, smaak, of karaktereigenschappen gaat al zover terug als de oude Grieken. Plato haalde er ook nog de beweging van de planeten bij.

Wassily Kandinsky probeerde zijn theorie dat er een universele connectie bestaat tussen vormen en kleuren te bewijzen door willekeurige mensen (per post) de vraag voor te leggen welke kleur een driehoek, cirkel en een vierkant zouden moeten hebben. In zijn boekje “Spiritualiteit en abstractie in de kunst” (Über das Geistige in der Kunst) zette hij zijn visie op kunst en de betekenis van de verschillende kleuren uitéén, zonder verder in te gaan op bewijsbaarheid. Volgens zijn boekje heeft elke kleur een klank en een onweerlegbaar effect op de psyche; paars is een treurige oudewijvenkleur die doet denken aan de klank van de Engelse hoorn, bijvoorbeeld.

Goethe daarentegen vond de directe link tussen muziek en kleur onzin. In zijn boek “Entwurf einer Farbenlehre” staat ‘Beide zijn algemene, elementaire effecten, volgens de algemene wet van scheiden en tezamen streven, van op en neer schommelen, van heen en weer slingeren, maar naar geheel verschillende kanten, op verschillende wijze, inwerkend op verschillende tussenelementen, waarneembaar voor verschillende zintuigen.’ (p 149 vertaling van Pim Lukkenaer).

Goethe had dus geen last van muziek-kleur synesthesie. Wel had ook hij de grote overtuiging dat hij wist hoe het zat met de kleuren en hun universele effect op de mens. Newton met zijn prisma’s had ongelijk volgens hem, en moest wat meer op zijn ogen, en wat minder op de wiskunde vertrouwen.

Kunstenaars moesten van hem kennis hebben van het effect van de kleuren en hun combinaties  op het gevoel, en mochten niet teveel blauw gebruiken.

Zijn kleurenleer strekt zich alle kanten uit; van gezichtsbedrog tot de kleur van wormen, vissen en mensen. Goethe redeneerde dat de witte mens het mooist is omdat zijn kleur het minste neigt naar iets bijzonders (p125), en daarmee is “bewezen” dat zijn innerlijk het beste in overeenstemming is met zijn uiterlijk (p123). Ook harigheid en grote uitstekende oren wijzen op zwakte, dat je het maar even weet.

Rudolf Steiner liet zich door Goethe inspireren om zijn eigen kleurentheorie te formuleren. Steiner redeneerde net zolang volgens zijn zelfbedachte aannames tot groen bijvoorbeeld een “dode afspiegeling van leven”, en wit een “geestelijke afspiegeling van de ziel” moest zijn. Bij hem speelt nog een aparte kleur “perzikbloesemkleur” een belangrijke rol, dit is namelijk mensenkleur. Ook hij was zeer stellig over de universele waarde van zijn beweringen. Steiners ideeën over de invloed van kleur worden nog steeds door antroposofen gebruikt, bijvoorbeeld door kinderen die melancholisch zijn blauwe kleren aan te trekken.

Ook in het boekje: “Toegepaste kleurenpsychologie” door Th. Oekema van der Wal uit 1968 wordt zwaar geleund op Steiners kleurentheorie. “De kleurenarchetypentheorie, die werkelijk geen occulte stelling is, al zou ze ook niets meer zijn dan een veronderstelling, geeft een voldoende verantwoorde verklaring voor de overeenkomst in het kleurgevoel van de mens, het collectieve, het gemeenschappelijke kleurgevoel.” (p18)

Vervolgens redeneert de tekst verder: wolken zijn wit en de lucht is blauw, dus staat wit op blauw voor beweging en reizen, dus teksten die het verkeer informeren moeten in wit op blauw of blauw op wit worden weergegeven.

Deze mannen wilden kleuren rubriceren en een universeel effect toekennen om stemming via de omgeving te manipuleren, om kunstenaars te adviseren, en uiteindelijk om een zogenaamd objectief oordeel te kunnen vellen. Allemaal hielden ze zich eigenlijk vooral bezig met het bestuderen van hun eigen persoonlijke kleurbeleving. Ik vind het merkwaardig dat hun theorieën zoveel invloed hebben gehad op kunst, onderwijs, openbare ruimte, etc. Zijn mensen te lui om zelf op te merken wat het effect van kleur is op hun gemoed? Is de behoefte aan zekerheid zo groot dat men liever werkt met een onbewezen set regels dan helemaal geen regels? Is het zo moeilijk om toe te geven dat we het gewoon niet weten?

De invloed van kleur hangt van zo ongelooflijk veel factoren af: lichtval, materiaal, grootte van het oppervlak, de culturele achtergrond van de kijker, persoonlijke associaties van de kijker, etc. De invloed van kleur is dus eigenlijk niet te meten op zich. Ík vind maandag lichtgeel, een kleurenblinde vindt een boom misschien grijs, rouw is in China wit. Het enige dat al deze kleurentheorieën zouden moeten inspireren is eigenwijsheid en bewustwording van de invloed die de omgeving heeft op jou als individu. Dat iedereen kleur, en de wereld, net weer anders ervaart is juist mooi, en leidt tot verrassende, unieke kunst, architectuur, literatuur, etc. Zoals K. Schippers schreef “als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is”.

 

Ik heb voor deze blog gelezen:

“Kleuren: spirituele kleurenleer als basis voor het kunstzinnig scheppingsproces” (drie voordrachten gehouden in 1921) door Rudolph Steiner. Vertaald door Wyts ten Siethoff. Uitgeverij Pentagon.

“Kleurenleer” door J.W. Goethe, oorspronkelijke uitgave 1810. Samengesteld door Bob Siepman van den Berg, vertaald door Pim Lukkenaer. Uitgeverij Vrij Geestesleven.

“Toegepaste kleurenpsychologie” door Th. Oekema van der Wal, 1968. Uitgeverij Het Spectrum

 

facebooktwitterlinkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *