De tienduizend dingen

Zo mooi als een nieuwe koelkast wordt het nooit meer. Niet in mijn huis tenminste. Was het hele leven maar zo schoon, zo simpel, zo overzichtelijk als de eerste dag dat je de koelkast in gebruik neemt. Je neemt de migrerende pot augurken af met een vochtig doekje en zet ‘m plechtig in de deur met zijn label naar voren. Zo, en nu elke dag bijhouden en maandelijks ontdooien en de elementen aan de achterkant stofzuigen zoals de gebruiksaanwijzing aanbeveelt.

Af en toe, twee keer per jaar ongeveer, moet er worden opgeruimd. Een dwang tot poetsen overvalt me en opeens sta ik te tollen op mijn benen omdat ik al uren met een tandenragertje het voegwerk achter de wasmachine aan het poetsen ben. Dit is het moment dat mij een darmspoeling aangepraat zou kunnen worden. Alles lekker schoon, ook waar je het niet ziet, júist in de hoeken en gaten waar je het niet ziet. Ik verlang te leven in de wetenschap dat alles, overal, smetteloos schoon is. Aan het einde van zo’n (durf ik mijn hormonen de schuld te geven?) verpeste dag is duidelijker dan ooit dat dit een oneindig en hopeloos project is.

Ik ben niet de enige die verlangt naar een simpel, schoon, makkelijk bij te houden leven. Voer “simplify” in op amazon.com en 2.527 boeken zijn het zoekresultaat. Niet zelden wordt in deze zelfhulpboeken de hulp van God aangeroepen om de juiste keuzes en schema’s te kunnen maken. Terwijl God volgens mij ook niet zo’n talent voor opruimen en vereenvoudigen heeft. Ten slotte maakte hij in 6 dagen een enorme hoeveelheid rommel, en ging toen uitrusten. God ging niet op zondagavond met een spreadsheet en een agenda in de hand proberen de essentiële elementen van de onzinnige frutsels te scheiden. Hij zag dat het zo goed was. Maar hij hoeft er niet middenin te leven natuurlijk, en ook kon hij niet voorzien dat wij mensen er nog zoveel dingen aan toe zouden voegen. Zoals voorgesneden ananas in een plastic tray met een klein plastic vorkje erbij, en schijnbaar vanzelf evoluerende nieuwe diersoorten als het oplaadsnoertje.

De tentoonstelling van Michael E. Smith in De Appel lijkt het resultaat van een maniakale opruimactie door iemand zonder gevoel voor esthetiek.  Iemand die een zelfhulp boek over opruimtechnieken heeft gelezen en helemaal verkeerd begrepen. Die denkt: de dingen die je nooit gebruikt, waarvan je niet eens meer weet waarvoor het ook weer diende, en die trui die echt te lelijk voor woorden is, die bewaren, en al het andere weggooien. Presenteren in een lege ruimte, met het licht uit. Zo, dat ruimt op.

Wanneer ik denk dat de kunstenaar een zelfhulpboek verkeerd heeft begrepen, zal ík het wel niet hebben begrepen. Dus lees ik de informatieve folder (er zijn geen titelbordjes). “De kijker waant zich in die ruimtes in een soort verlaten stad, een dystopisch landschap, waar een paar merkwaardige overblijfselen van voormalige menselijke aanwezigheid zijn achtergebleven.” Ik krijg geen wanen over de apocalyps. Ik ben namelijk overduidelijk in een museum, niet in een landschap. Stel echter, voor de grap, dat dit museum zich in een post-apocalyptische wereld bevindt. Is dan de boodschap van dit post-apocalyptische museum “alles wat ooit van waarde was heeft zijn functie en luister verloren. We doen maar wat. Deze waardeloze voorwerpen liggen hier gewoon.”? Dan zouden de paar wél mooi gepresenteerde werken zoals een met lak bewerkt stuk jas, en drie gele steekkarren op een marmeren vloer, deze boodschap ondermijnen.

Maar als de boodschap van het post-apocalyptisch museum het tegenovergestelde zou zijn: “alles is verdwenen, we hebben alleen nog deze zeldzame waardevolle voorwerpen die ons aan het verleden herinneren”, dan zouden alle werken die in een hoekje, of tegen een ventilatierooster aan zijn gehangen er niet bij passen.

michael-e-smith-2Verder lees ik nog in de folder: “Associaties met sterfelijkheid en vergankelijkheid liggen op de loer, tegelijkertijd heeft Smiths werk ook een donkere humoristische ondertoon.” De donkere humoristische ondertoon meen ik te detecteren in een werk dat bestaat uit twee verticale staven met een “afgezakte broek”. Een broek die afzakt is slapstick. Kleding kan makkelijk worden gebruikt om te verwijzen naar het menselijk lichaam. Kleren hebben iets zachts en organisch, als vlees. In de werken van Michael E. Smith worden ze gebruikt in combinatie met industrieële voorwerpen en kunnen zo verwijzen naar de verbinding tussen mens en machine, mens en vuilnisbelt, mens en zijn zelfgecreëerde monster. Maar ook dat werkt in deze tentoonstelling niet goed. Omdat de gekozen kleding zo lelijk en synthetisch is dat die eerder in de categorie afval valt dan dat we ons er mee associëren.

Kortom, we komen verward en gedeprimeerd uit deze inconsequente tentoonstelling. Maar we hebben gekozen voor het consumeren van een ervaring in plaats van een nieuw ding te kopen of uit te vinden. En dat is echt goed van ons.

Wil je de expositie toch met eigen ogen zien? Snel zijn want hij is er nog maar tot 30 augustus 2015 http://www.deappel.nl/visit/programme/activity/?id=963

facebooktwitterlinkedin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *